Wandelen op het historische landgoed heidestein in Zeist

Heidestein

Verscholen in de bossen bij Zeist ligt landgoed Heidestein. Op de heidevelden tussen de oude naaldbossen grazen Drentse heideschapen.Zo zag de Utrechtse Heuvelrug er ruim 100 jaar geleden uit.De zang van vogels en het ruisen van van de bomen geven wandelaars een gevoel van rust en ruimte. De kans is groot dat een ree het pad oversteekt.Ook de vossen en hazen laten zich zo nu en dan zien op Heidestein. Verschillende overblijfselen van het historische landgoed,zoals het theehuisen de vijver , zorgen voor een bijzondere sfeer.

Bornia (bron: www.ivn-info.nl) In 1870 kwam een stuk grond op de grens van Driebergen en Zeist in eigendom van J.J. Uyterwerff Sterling. Hij gaf het nieuwe landgoed de naam Bornia. Bornia is een oud Fries woord voor grensgebied (vergelijkbaar met het Engelse ‘border’). De naam is te danken omdat het landgoed ligt op de grens tussen de Utrechtse heuvelrug en het Kromme Rijngebied. (Of beter gezegd het lag daar, want de A12 en de spoorlijn Utrecht-Arnhem doorsnijden het gebied nu. Aan de andere kant van de spoorlijn heet het nu de Driebergse bossen.)Driebergsebos
In 1894 werd het bezit opgedeeld en hierdoor ontstond in het noordelijk deel Heidestein. Landgoed Bornia bestond destijds grotendeels uit zandverstuivingen. Daarvan zijn er nu slechts enkele over, maar de sporen zijn nog zichtbaar in de vorm van opvallend reliëf. In het bos liggen op enkele plaatsen verweerde, oude ‘perronnetjes’. Dit zijn overblijfselen van het smalspoorlijntje tussen de zandput op Heidestein en een kalkzandsteenfabriek bij het Haagje, een zijweg van de Arnhemse Bovenweg.                                    

 

Er zijn div wandelroutes te downloaden op http://www.utrechtslandschap.nl/wandelen   
Tijdens uw verblijf op de camping ontvangt u een map met info met o.a. een wandeling op Heidestein.


































































 Heidestein (bron: www.ivn-info.nl)
Dit bosrijke gebied bestond een eeuw geleden nog uit hei en zandvlaktes, waarvandaan – vanaf het nog steeds bestaande en fraai gerestaureerde theehuis – de piramide van Austerlitz zichtbaar was.
De voormalige eigenaar, de heer de Wetstein Pfister, heeft na terugkomst uit Nederlands-Indië het gebied stukje bij beetje in eigendom verworven en vervolgens op voortvarende wijze ontgonnen en verfraaid.
Zo werden er bospercelen van grove den en douglassparren aangelegd, en kanalen en vennetjes gegraven, die gevoed werden door een natuurlijke bron. Verder werden er windmolens gebouwd, een boerderij, en een theehuis met ijskelder en er werd zelfs een spoorlijntje aangelegd.
In de jaren 20 van de vorige eeuw is het landgoed een tijd als golfbaan in gebruik geweest. Veel van deze zaken zijn op het landgoed geheel of gedeeltelijk nog aanwezig of hebben duidelijk herkenbare sporen in het landschap achtergelaten. Sinds 1974 is Heidestein in bezit van het Utrechts Landschap.

Naast al deze cultuurhistorische kenmerken heeft het gebied vrijwel alle eigenschappen van het Utrechts Heuvelruggebied, zoals dat in en na de ijstijd is ontstaan: schrale grond met korstmossen, mossen, gras, buntgras en pijpenstrootje, smele en zegge. Daarnaast berken, beuken, naaldbomen en een enkele eik. Het is droge, voedselarme grond.
Het heidelandschap is slechts ten dele natuurlijk. Door een doelbewust beleid van het Utrechts Landschap is er een belangrijke stempel gezet op de recente ontwikkeling ervan door kaalkap, branden en plaggen. Drentse heideschapen grazen er. Door hun begrazing wordt het dichtgroeien van de heide met bomen en struiken voorkomen. Vele diersoorten, waaronder een grote populatie zandhagedissen, profiteren hiervan. Op Heidestein bevinden zich behalve de heide ook nog andere herinneringen aan het verleden zoals het historische theehuis, de duistere wandeltunnels en de vijver met zijn mysterieuze groene waterkleur. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginaMollebos


































































Mollenbos (bron: www.ivn-info.nl)
Het Mollenbos is een gemengd bos met zandverstuivingen van 42 hectare groot. Het is eigendom van de gemeente Driebergen-Rijsenburg. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginaLandgoed Noordhout


































































Noordhout (bron: www.ivn-info.nl)
Noordhout heeft het predikaat één van de tien mooiste natuurgebieden van Nederland te zijn. Hier vond een van de eerste bebossingen van de Utrechtse Heuvelrug plaats.
De familie van Eeghen verwierf rond 1850 de grond en beboste het. Tevens werd en een houten jachthuis gebouwd, dat later in 1880 is vervangen door een stenen jachthuis. Bij de aanleg van het bos heeft men er naar gestreefd een zo gevarieerd mogelijk landschap te scheppen. Het resultaat mag gezien worden!
Er zijn prachtige beukenlanen, percelen met alleen beuken, alleen grove dennen of zelfs een perceel met alleen douglassparren, dat er als een echt mastenbos uitziet. Het bos is dus zeer gevarieerd door relatief kleine percelen loofbos en naaldhout.
Er zijn een aantal weitjes en akkers met diverse graansoorten, maar ook rododendrons en taxus. Er is ook een perceel met berk, beuk en eik en hier en daar grove den. Als struiken zijn hier lijsterbes en sporkehout aanwezig met als ondergroei bosbes, bochtige smele en enkele bladmossen zoals haar- en klauwtjesmos. Een mooi voorbeeld van een natuurlijke vegetatie.
De combinatie van rijk bos met open stuken grond trekt veel vogels aan. Er is dan ook een vogeltrektelpost.

Bij het 50-jarig huwelijk van de toenmalige familie Van Eeghen heeft de familie een bewateringssysteem geschonken. Het bestond uit een windmolen die op het hoogste punt stond (ongeveer 60 meter NAP) en het grondwater op moest pompen dat vervolgens via betonnen goten naar een aantal vijvers werd geleid. Van dit bewateringssysteem zijn hier en daar nog resten te zien.

In 1979 heeft het Utrechts Landschap het landgoed aangekocht met uitzondering van het Landhuis en een deel van de grond hier omheen. Het gebied is 172 hectare groot, waarvan circa 18 hectare landbouwgrond is. Door deze aankoop heeft het Utrechts Landschap een aaneen gesloten gebied: Heidestein, Bornia en Noordhout.

Als grootste dier is het ree in grote getale aanwezig. Verder zijn er konijnen, vossen en bunzings.
Het bosbeheer bestaat uit beperkt ingrijpen zoals het verwijderen van vogelkers. Op de akkers worden diverse graansoorten ( gerst, haver, winterrogge, en ook triticale, een kruising van drie graansoorten) ecologisch verbouwd voor verkoop, maar ook worden akkers ingezaaid met voedsel voor zoogdieren en vogels, onder andere zonnepitten. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginaHeidetuin Driebergen


































































Rijsenburgse Bos (bron: www.ivn-info.nl)
Het Rijsenburgsebos is een landgoed met 40 hectare bossen, vijvers, ontspringende beken, een speelweide en een heidetuin. In de tuin staan bijzondere soorten heide en bomen.
Vanaf de Zwitserse berg heeft u een mooi uitzicht.
Het gebied is eigendom van de gemeente Driebergen-Rijsenburg. Zwitserse brug in het Rijsenburgse bos
naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginaSparrendaalsebos


































































Sparrendaal (bron: www.ivn-info.nl)
De beplanting van dit bos verraadt duidelijk de aanwezigheid van een voormalig buiten. Zo staan vlak voorbij de zogenaamde bosweide aan de Arnhemse Bovenweg twee bijzondere “follies”. Dit zijn fantasiebouwwerken die her en der op een landgoed gebouwd werden om de bewoners te plezieren.
In dit geval gaat het om een ronde “schuilhut” uit palen opgetrokken en met riet gedekt, en de zogenaamde Zwitserse Brug. Zij gaven aan het Driebergen in de eind negentiende, begin twintigste eeuw een uitheems tintje. Dit geldt natuurlijk ook voor de vele sparren die in de buurt geplant werden.
Diverse beken doorsnijden het bos. Sommige monden uit in een vijver met namen als Acacia en Koekenpan. Al deze verbindende sloten worden gevoed door het kwelwater van de Utrechtse Heuvelrug. Hoewel het grondwaterpeil de afgelopen decennia sterk is gedaald, blijft er in de vijvers en sloten toch nog wel water staan. Het waterpeil in de vijver van de heidetuin wordt een handje geholpen door een pomp.
Vanuit de twee hiervoor genoemde vijvers ontspringt het riviertje de Zwoer. Deze loopt grotendeels ondergronds. Via de Schippersdreef en het Driebergse Meer komt het uit in de Kromme Rijn.

Aan de bosrand zijn restanten te vinden van het Driebergs Openluchttheater, dat tot einde jaren vijftig van de vorige eeuw in gebruik was. De beken rondom en de hoge wal erachter vormden een natuurlijk decor. In de jaren zestig heeft men het zitplaatsengedeelte beplant met sparren. Rondom het theater bepalen eiken, beuken en berken, afgewisseld met rododendrons het beeld.

Vroeger werd het bos beheerd als multifunctioneel bos. Dit betekent dat de verschillende functies zoals natuur en landschap, recreatie en houtproductie in zones hun eigen plek kregen in het bos. Sinds 1993 beveelt de rijksoverheid een geïntegreerd bosbeheer aan. Dit houdt in dat er naar gestreefd wordt de verschillende functies samen te voegen.
Bij geïntegreerd bosbeheer is het ook van belang om de natuurwaarde van het bos te verhogen. Dit gebeurt onder meer door naar meer variatie te streven door afwisseling van jonge en oude bomen, lichte en donkere plekken met of zonder onderbegroeiing en dergelijke. Ook worden er geen grote stukken tegelijk meer gekapt, maar wordt er gestreefd naar kleinschalige verjonging.
Verder wordt getracht de natuurwaarde te verhogen door natuurlijke verjonging (uitzaai van aanwezige bomen), door inheemse boomsoorten te bevoordelen en door te streven naar meer staand en liggend dood hout. Ook worden zogenaamde toekomstbomen uitgezocht. Deze markante bomen krijgen de ruimte om zich te ontwikkelen; concurrerende bomen worden weggezaagd. Door over te stappen op selectieve kap kunnen de bomen ouder en dikker en dus waardevoller worden.
In een gemengd bos met volgroeide bomen en wisselende ondergroei kunnen meer vogels en zoogdieren voorkomen dan in een eenvormig dennenbos. Ook is de kans op ziekten en plagen kleiner, onder meer omdat natuurlijke verjonging sterkere bomen oplevert. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginaboswachterij Austerlitz


































































Boswachterij Austerlitz (bron: www.ivn-info.nl)
De heidevelden tussen Zeist en Amersfoort werden begin 1800 uitgekozen als legerplaats voor de Franse troepen van Napoleon. Uit deze nederzetting is het dorp Austerlitz ontstaan.
Het dorp werd genoemd naar de plaats in voormalig Tsjecho-Slowakije waar Napoleons leger de Oostenrijkse en Russische troepen versloeg.
Veel namen in deze boswachterij herinneren nog aan de Franse aanwezigheid: Franse Put, Stellingbos, Kampbos en Batterijenbos.

Na het vertrek van de Fransen werd de heide ontgonnen en bebost met dennen, sparren, eiken en beuken. In het oudere bos groeien veel bosbessen.
Dankzij de aanwezigheid van oude bomen broeden hier ook veel uilen en roofvogels zoals de buizerd en de havik. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginade Koepel van Stoop



































































Koepel van Stoop (bron: www.ivn-info.nl)
Stoop (1781 – 1856) was een Amsterdamse bankier en koopman, die in 1826 een complex heidegrond van 215 bunder onder Austerlitz kocht met het doel die woeste grond te ontginnen tot landbouwgrond. Door gebrek aan mest – kunstmest was er nog niet- was dit project tot mislukken gedoemd. Na het mislukken van de landbouwontginning is hij overgegaan op bosteelt.
Grote stukken heide werden beplant met grove dennen, de enige boomsoort die het op de droge, voedselarme zandgrond wilde doen.

Stoop had echter ook oog voor het landschap. Zo gaf hij de bekende landschapsarchitect Jan David Zocher jr. (1790 – 1870) omstreeks 1840 de opdracht om op het hoogste punt van zijn bezittingen een buitenplaats te stichten en het terrein er omheen als landschapspark in te richten.
Stoop moest dat plan echter opgeven, omdat die plek te hoog lag om er water naar toe te kunnen pompen. In plaats daarvan liet hij door Zocher op die plaats een tuinpaviljoen in de vorm van een koepel bouwen: de bekende “Koepel van Stoop”.
Vanaf de koepel had Stoop een spectaculair uitzicht over de toen nog kale heuvels bij Austerlitz tot aan Amersfoort en Utrecht toe.

De koepel staat tegenwoordig op een heuvel midden in het bos, maar van een vrij en onbelemmerd uitzicht is door het hoge geboomte geen sprake meer.
De koepel bestaat uit een ingangsportaaltje met daarachter en ronde ruimte, waarin zes naar buiten toe opengaande dubbele deuren zitten, die aan de binnenzijde door luiken kunnen worden afgesloten. Rond deze binnenruimte bevindt zich een overdekte galerij, waarvan het dak rust op zes zuilen. Deze zuilen zijn vrijwel zeker afkomstig van de oude Amsterdamse beurs van Hendrick de Keizer. Toen deze beurs werd afgebroken kocht Stoop zes van de veertig kolommen en liet deze vervolgens per schip naar Utrecht en vandaar per kar naar Austerlitz vervoeren.
Boven het ingangsportaaltje bevindt zich een houten torentje dat gedekt is met een zadeldak.

Aanvankelijk was de koepel in gebruik als paviljoen en als theehuis. Rond 1934 werd het door Jhr. W.H. de Beaufort ingericht als Bosbouwkundig Museum. Door het huwelijk van Stoops dochter Anna Aleida met Arnoud Jan de Beaufort waren de koepel en de aangrenzende bossen in bezit gekomen van de familie de Beaufort.
De uitgebreide bezittingen van deze familie zijn tegenwoordig ondergebracht in de Stichting Den Treek-Henshoten. De koepel zelf, die tegenwoordig dringend aan restauratie toe is, wordt gebruikt als atelier door een kunstenaar.

In dezelfde tijd kwam ook een neogotisch jachthuis tot stand dat het Berghuis heet. Bij dat jachthuis werd door Zocher een omlaag glooiend weiland aangelegd met fraaie boomgroepen en slingerende paden, met elkaar een bijzonder aantrekkelijk geheel vormend.
Met de omringende bossen is hier een niet alleen in cultuurhistorisch maar ook in landschappelijk opzicht aantrekkelijk gebied ontstaan dat een bezoek ten volle waard is. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
pagina


































































Kozakkenput (bron: www.ivn-info.nl)
De Kozakkenput heeft zijn ontstaan te danken aan het initiatief van de luitenant-generaal A.F.L. Viesse de Marmont. In 1804 hield hij hier met zijn 20.758 man tellende Frans-Bataafse troepen legeroefeningen en liet er een kampement opslaan. Om op de droge heide water te hebben, liet hij 30 putten graven met een diepte van ca. 10 meter. Ook de Kozakkenput heeft in die tijd als waterput dienst gedaan. De naam ‘Kozakkenput’ is echter pas 9 jaar later aan het terrein gegeven toen een huurlingenbataljon Kozakken hun bivak uitkoos bij deze waterputten.

Vroeger bestond de Kozakkenput uit heide, tegenwoordig uit een jong gemengd bos met veel grove dennen. Oude lanen van beuken en Amerikaanse eiken doorsnijden het terrein.
Opvallend zijn ook de door bos omsloten akkers, het eikenhakhout en de oude singels. In het gebied leeft onder andere de ransuil. Krakeling De Krakeling is in het verleden gebruikt als bouwland omringd door bos. Nu wordt het terrein gekenmerkt door jonge, gemengde bossen Daarnaast heeft de Krakeling enkele heideveldjes waar o.a. de hazelworm en boomleeuwerik voorkomen. Bovendien ligt in het gebied de Krakelingput, een kleine plas. Het bos ligt grotendeels op het terrein van een voormalige zandafgraving. Dit zand werd hoofdzakelijk gebruikt om het bouwterrein in de wijk Kanaleneiland te Utrecht op te hogen. De Krakeling wordt sinds 1997 begraasd door Drentse heideschapen. Onder het beheer van Het Utrechts Landschap valt ook de Witte Hull. Dit terrein bestaat voornamelijk uit bos. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginanaar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
paginaDen Treek Henschoten


































































Den Treek (bron: www.ivn-info.nl)
Landgoed Den Treek vormt samen met het landgoed Henschoten een aaneen gesloten gebied met een oppervlakte van bijna 2000 hectare en is daarmee het grootste bosgebied van de Utrechtse Heuvelrug.
De familie de Beaufort is vanaf 1775 begonnen met het aankopen van gebieden en heeft in de 19e eeuw tezamen met de familie Stoop en de familie Asch van Wijck de heidevelden en stuifzanden ontgonnen. De families werden daarom door de plaatselijke bevolking wel “heidevreters” genoemd.

In die tijd liet men op de heide veel schapen grazen. De schaapherder had daarbij een gemakkelijke baan, want de schapen mochten dagelijks s‘middags maar kort op de heide grazen. Het doel was immers om zoveel mogelijk mest te verkrijgen in de omringende schapenstallen (de zogenaamde potstallen.) en om de begrazingsdruk te beperken.
De heide werd afgeplagd en op de mest in de stallen gedeponeerd om uiteindelijk als bemesting voor de omliggende akkers te dienen. Deze plaggenbemesting verloor zijn betekenis door de komst van kunstmest. Door de genoemde families werden de zandgronden daarom op grote schaal bebost met hoofdzakelijk grove dennen. Deze eentonige heideontginningsbossen dienden vooral voor de productie van hout voor de mijnen.

Het huidige beheer richt zich op een combinatie van bosbouw voor de houtproductie, natuurbehoud en recreatie. Gestreefd wordt daarbij naar afwisseling van boomsoorten en van opstand in leeftijdsverschil. Deze variatie maakt het bos beter bestand tegen ziekten, plagen en stormen. Het heeft daardoor ook een hoge natuurwaarde, wat weer aantrekkelijk is voor de recreant.
Aan de afwisseling op het landgoed dragen natuurlijk ook bij de aanwezige stuifduinen, de natte graslanden en de vennen.

Het zogenaamde Treeker meertje is een nogal verscholen in de bossen gelegen natuurreservaatje. Het gebiedje maakte vroeger waarschijnlijk deel uit van het uitgestrekte veengebied van de Gelderse Vallei. De plas is aan het eind van de 19e eeuw ontstaan als gevolg van afgraving van het veen.
In de naaste omgeving van het meertje ligt een stuifzandgebiedje waarop enkel mooie groepen jeneverbessen staan. Verder is er ook een stukje droge heide. naar 
de top van deze paginanaar de top van deze 
pagina